| Paulytrauma's profilePaulytrauma's blogBlogLists | Help |
|
|
Ze hebben iets in mijn drankje gedaan!Deze nacht hadden we een oproep voor iemand met hartkloppingen. De alarmcentrale van de 100 gaf ons een privaat adres door ergens aan de rand van de stad. Toen we ter plaatse kwamen stond een jongeman ons op te wachten in zijn straat. "'t Is voor mij" zei hij toen we hem benaderden.
Op het eerste zicht zag hij er redelijk normaal uit. Hij stond recht, ademde normaal, had een normale huidskleur en noem maar op. De ervaring leert ons dat kritieke patiënten ons zelden of nooit op straat staan op te wachten, laat staan dat ze zelf zeggen dat het voor hen is. Kritieke patiënten liggen meestal bewusteloos op de grond... Onze patiënt van vannacht deed ons een vreemd verhaal dat vrij verward overkwam. Hij zei namelijk dat hij vaak last heeft van hartritmestoornissen en dat ze op de Gentse Feesten iets in zijn drankje gedaan hadden, en dat zijn hart nu "oversloeg".
Een "overslaand hart" doordat ze iets in zijn drankje gedaan hadden op de Gentse Feesten... "Yeah, right" denken wij dan bij onszelf.
We nemen echter steeds het zekere voor het onzekere, en besloten de man aan de monitor te leggen. De vitale functies bleken volledig in orde te zijn. Terwijl we de man rustig naar het ziekenhuis brachten werd hij echter plots onwel en begon hij te braken. In het braaksel vonden we ganse delen van een broodje terug. "Meneer, heeft u een braadworst gegeten op de Gentse Feesten?" De patiënt antwoordde bevestigend. "Meneer, kan het zijn dat u uw eten nooit goed kauwt?"
Eens de restanten van zijn onverteerde braadworst met uien uit zijn maag verwijderd was voelde hij zich op slag een stuk beter. Tot zover de theorie van de snodaards die iets in zijn drankje gedaan hadden.
Absurde redenen om de dienst 100 te bellenIk had eerder al enkele verhaaltjes gepost over mensen die omwille van absurde redenen naar de dienst 100 bellen. Denk bij voorbeeld maar aan die kerel die de 100 belde voor rugpijn, en vervolgens in afwachting van de ziekenwagen eerst nog met de fiets om sigaretten reed.
Deze week hebben we weer een paar mooie voorbeelden gezien van dergelijke oproepen. De absolute topper was een man die in een supermarkt de winkelbedienden vroeg om de 100 te bellen omdat hij zich onwel voelde, en vervolgens zijn boodschappen verder deed. Bij onze aankomst ter plaatse zei hij dat hij eerst nog snel even moest betalen aan de kassa, vooraleer hij mee kon naar het ziekenhuis.
Dan was er ook eentje die 's nachts om drie uur naar de 100 belde omdat hij een briefje van 20 euro ingeslikt had, wat op zich ook redelijk absurd was.
Goeie vraagDeze middag hadden we een oproep voor dringend ziekenvervoer. Een oud dametje had een longoedeem en moest dringend naar het ziekenhuis.
Op zich is zoiets dagelijkse kost voor ons. Toen we het dametje naar onze brancard hielpen viel het mij echter op dat ze een eigenaardige manier van lopen had. Ik kon het niet meteen thuis brengen, maar er was iets niet normaal aan haar manier van stappen. Toen we haar wilden laten neerzitten op de brancard verkrampte ze. Het was alsof ze helemaal blokkeerde. Haar dochter, die ook aanwezig was, zei ons discreet dat ze blind was. Toen werd mij duidelijk hoe het kwam dat ze een rare manier van stappen had: ze zag niet waar we naartoe liepen. Het mysterie was opgehelderd.
Maar, ... terwijl we de brancard in de ziekenwagen schoven viel het mij op dat ze een bril droeg. Wat was dat toch vreemd: een blinde draagt toch geen bril. Ik vroeg de dochter stilletjes of mevrouw ècht wel volledig blind was, waarop ze mij bevestigend antwoordde. Ik kon me niet bedwingen en stelde de vraag: "waarom draagt uw moeder dan bril als ze blind is?"
De verklaring was eigenlijk heel simpel. Het oude dametje draagt die bril al gans haar leven. Toen ze enkele jaren geleden door een hersentumor blind werd is ze die bril als het ware uit gewoonte blijven dragen. De dochter trok haar schouders op en zei in plat Gents: "ja, menière, ge weet oek wel oe da ouwe mense zijn, hé ..."
Toen we in het ziekenhuis aankwamen kon ik mezelf niet bedwingen en stelde de verpleegkundige de netelige vraag waarom een blinde mogelijks een bril zou kunnen dragen. Met gefronste wenkbrouwen antwoordde ze mij: "ja, jong, ... da's een goeie vraag !" Grappige antwoorden op domme vragenAls ambulancier stellen we vaak vragen aan patiënten, waar we dan de grappigste antwoorden op krijgen.
Een overzichtje:
Oproep voor een man die in een shopping-center van een trap gevallen is:
Ter plaatse aangekomen troffen we een nogal onverzorgde man aan met een hoofdwonde. - Vraag: "Waar woont u?"
- Antwoord: "Hier in het shopping-center."
Het bleek hier namelijk om een dakloze te gaan die tijdens de koude winterdagen in het shoppingcenter rond hangt.
Oproep voor een student die tijdens een vechtpartij een losse tand opgelopen had:
- Vraag: "Wat studeer je?"
- Antwoord: "Tandheelkunde"
Oproep voor een vechtpartijtje:
- Vraag aan de politie: "Mogen we het slachtoffer naar het ziekenhuis brengen?"
- Antwoord: "Neen, even wachten graag, ... uw slachtoffer staat geseind."
Oproep voor een patiënt met een hersenschudding:
- Vraag: "Welke dag zijn we vandaag?"
- Antwoord: "donderdag"
- En dan even later een bijkomende vraag van de ene ambulancier aan de andere: "Euh, zijn we nu eigenlijk donderdag? Ik weet het zelf niet ..."
Oproep voor een man die op zijn knieën probeerde naar huis te kruipen, maar zo dronken was dat hij er niet eens meer in slaagde om op zijn knieën zijn evenwicht te bewaren:
- Vraag van de ambulancier (en dat was ècht een heel domme vraag): "Hebt u gedronken?"
- Antwoord: "Gedronken? Ik? Neen, hoor !"
BeetgenomenDeze avond kregen we omstreeks 20u00 een oproep voor een soort fitness-zaal waar ook een dojo is voor gevechtssporten. Volgens het hulpcentrum 100 was daar iemand die vermoedelijk zijn knie gebroken had. Ter plaatse aangekomen zagen we twee jonge kerels op de tatami zitten. De ene trok een verbeten gezicht en hield zijn knie vast. Die andere zat er gewoon ontspannen bij. Wij knielden neer bij de man met het pijnlijke gezicht en vroegen wat er gebeurd was. "Oach, mijne knie,... man, pijn dat dat doet, ..." Terwijl we de knie van die jongeman bekeken sprong hij plots recht en zei lachend: "'Hah, we hebben u liggen: 't is voor mij niet maar voor hem", en hij wees naar zijn kompaan die naast hem zat.
Bij de neus genomen, dus. Een vreemde reanimatieReanimaties zijn zonder meer onze meest uitdagende oproepen. Iedere seconde telt in zo'n situatie. Door onze snelle reactietijden slagen we er wel regelmatig in om iemand na een hartstilstand terug met pols en bloeddruk in het ziekenhuis te krijgen. 't Is te zeggen: in samenwerking met onze MUG-teams, natuurlijk. Want zonder hen zouden we daar niet in slagen.
Vorige week hadden we de meest bizarre oproep voor een reanimatie. Een verpleegkundige van een RVT had rechtstreeks naar onze dienst gebeld en dringend een ziekenwagen gevraagd "voor iemand die geen pols meer vertoonde op de saturatiemeter". Voor de leken: een saturatiemeter is een toestel dat een soort wasspeld-vormige sonde heeft om op een vinger te plaatsen. Je kan ermee meten hoeveel zuurstof er in het bloed zit, en je kan er ook de polsfrequentie op aflezen. Alleen is het zo dat bij slechte doorbloeding van de vingertop het toestel geen waarde aangeeft. Blijkbaar had de verpleegkundige van onze oproep geen waarde kunnen aflezen van haar toestel, en daaruit besloten dat er iets grondig mis was met haar patiënt. Kon niet anders. Ze ging verder: "ik denk dat de MUG ook zal moeten komen, hoor". Toen onze centralist voorstelde om de MUG meteen ook te verwittigen antwoordde de verpleegkundige echter: "nee, nee, stuur eerst eens de ziekenwagen, dat ze kunnen komen kijken wat er hier aan de hand is".
Zo gezegd, zo gedaan: we vertrokken prioritair naar de RVT in kwestie. Exact zeven minuten na de bizarre oproep kwamen we bij de patiënt. De verpleegkundige die gebeld had kwam ons tegemoet en zei: "'t Is te laat, hoor. Hij is dood". Ik vroeg haar of ze er zeker van was dat haar patiënt overleden was, waarop ze prompt "neen" antwoordde. "Kijken jullie eens, ik weet het ècht niet, hoor". We gingen de kamer binnen en vonden een bejaarde zonder ademhaling, maar ... om de paar seconden voelde mijn collega nog een hartslag. Die hartslag was zeer zwak, want ik had hem zelf oorspronkelijk gemist. Daarvoor zijn we dus altijd met twee bij de dienst 100. Conclusie: die patiënt was dus absoluut niet dood. We begonnen dus meteen de reanimatie-procedure en vroegen bijstand van een MUG-team.
Jammer genoeg heeft de patiënt het niet meer gehaald, maar achteraf hebben we wel nog hartelijk gelachen met de reactie van de verpleegkundige. Achteraf bekeken was ze eigenlijk wel over gans de lijn juist: de patiënt vertoonde geen pols meer op de saturatiemeter (dat komt natuurlijk wel doordat je bij een extreem lage pols geen bloeddruk meer opbouwt, waardoor het toestel geen waarneming kan doen, maar ... er is geen pols op de staturatimeter). We moeten ook toegeven dat het bijzonder moeilijk is om bij zo'n kritieke patiënt de pols nog te voelen. Als je ziet dat hij niet meer ademt lijkt zo iemand inderdaad dood te zijn, maar je weet dat in die kritieke fase nooit echt zeker, dus was haar twijfel ergens wel terecht te noemen. En tenslotte: toen we ter plaatse kwamen was het inderdaad al te laat. Ook daar had ze gelijk in.
Nu nog leren om bij de minste twijfel onmiddellijk naar het nummer 100 te bellen, en we zijn er.
Hallo televisie!Sommige van mijn collega's en ikzelf hebben een favoriet TV-programma: "In de Gloria". Vooral de rubriek "Hallo Televisie!" is voor ons de absolute topper.
Voor wie het programma niet kent: "In de gloria" is een satire op "man bijt hond". De rubriek "Hallo Televisie!" is een rubriek waarin een reporter met zijn camera-ploeg lukraak ergens aanbelt. Die reporter stelt echter steeds de verkeerde vragen op het verkeerde moment, waardoor hij telkens de spreekwoordelijke hond in het kegelspel is. Zijn typisch stopwoord luidt: "mooi, mooi, mooi ...", en dat is iets wat we ondertussen van hem overgenomen hebben.
Het grappige aan "Hallo Televisie!" is dat wij eigenlijk ook vaak ergens aanbellen omdat men een ziekenwagen gevraagd heeft, en net als die reporter in een totaal ongekende situatie terecht komen. De gelijkenis is soms zo treffend, dat wij bij het binnengaan in zo'n woning onder elkaar vaak "Hallo Televisie!", of "mooi, mooi, mooi..." zeggen. We doen dit uiteraard met een gedempte stem, zodat enkel de collega het kan horen. We proberen elkaar eigenlijk aan het lachen te brengen, terwijl we verondersteld worden serieus te zijn.
Enkele nachten geleden hadden we tal van oproepen voor echtelijke ruzie's. We hebben er geen flauw idee van hoe dat kwam, maar we reden van de ene vechtpartij naar de andere. Bij één van die oproepen had de vrouw een bijtend produkt in het gezicht van haar man gegooid, en bij een andere had een vrouw haar man zowaar van een balkon op de derde verdieping naar beneden geduwd. Bij die laatste oproep kwam er ook een MUG-team ter plaatse. Ik was net met mijn zaklamp licht aan het maken op de plaats waar de MUG-verpleegster een infuus wou aanprikken, toen ik die man vroeg hoe hij van het balkon gevallen was. Hij antwoordde ietwat beteuterd dat zijn vrouw hem eraf geduwd had. Toen we dat hoorden keken de verpleegster en ik recht in elkaars ogen. Ik kon het niet laten, en zei: "mooi, mooi, mooi, ..." waarbij mijn collega zich de vraag stelde of ik daarmee al dan niet de ogen van die verpleegster bedoelde.
Verdere technieken die vrouwen toepassen om hun man een lesje te leren zijn: een asbak op zijn hoofd kapot kloppen, zijn hand tussen de deur steken, met de nagels zijn gezicht openkrabben, en noem maar op. We hebben het allemaal al gezien in onze tuutie-taatie. Eén van mijn collega's die toevallig homo is maakte ooit de opmerking dat hij blij is om homo te zijn, want vrouwen zijn duidelijk een gevaarlijk ras.
Die TV-makers moesten maar eens een ploeg meesturen met ons. Op enkele nachten tijd zouden ze genoeg stof hebben om een ganse week hilarische TV mee te vullen. Mooi, mooi, mooi ... FeestjeStel je voor:
Je woont samen met je vrouw in een appartementsgebouw. Op vrijdagavond drink je samen met je buren een paar pintjes in de inkomhal van het gebouw. Plots stopt er een ziekenwagen. De twee ambulanciers stappen haastig naar u toe met de vraag wie naar de dienst 100 gebeld heeft. Je kijkt verbaasd naar je buren, die op hun beurt even verbaasd naar jou kijken. "Dienst 100? Wij hebben niet gebeld hoor, ..."
De ambulanciers gaan het gebouw binnen en nemen de lift naar boven. Even later komt één van de twee ambulanciers terug naar beneden en roept jouw naam, met de vraag eventjes naar boven te komen. Vervolgens vind je je vrouw ladderzat in de inkomhal van je appartement.
Dit overkwam een 35-jarige man. Samen met zijn echtgenote had hij met zijn buren enkele biertjes gedronken in de inkomhal van het appartementsgebouw. Na enkele rondjes was zijn vrouw naar boven getrokken om hun dochtertje in bed te steken. Blijkbaar kon ze niet goed tegen de drank, want plots voelde ze zich rotslecht worden. Ze had het echt benauwd gekregen en in paniek de dienst 100 gebeld, maar ze slaagde er niet meer in om door het venster naar haar man te roepen.
Het gezicht dat die man trok toen ik beneden in de hal zijn naam afriep was gewoonweg onbeschrijfbaar.
Hevige rugpijnVandaag hebben we de meest bizarre oproep gehad sinds maanden.
We werden opgeroepen voor een man met hevige rugpijn. Meestal gaat het bij dit soort oproepen om mensen die het slachtoffer zijn van een plotse verplaatsing van een tussenwervelschijf, waardoor een zenuw gekneld zit. Dit veroorzaakt hevige pijn en stelt de patiënt niet in staat om te bewegen. Een subluxatie van een discus intervertebralis heet dit in het jargon.
Toen we ter plaatse kwamen voor deze oproep deed zijn echtgenote open met de mededeling dat haar man "nog snel efkens met zijne fiets om sigaretten is".
Wij keken naar elkaar en dachten allebei hetzelfde: "hoe haal je het in je idiote hoofd om de 100 te bellen voor acute rugpijn terwijl je in staat bent om te fietsen ?" Op het eerste moment geloof je zoiets niet, maar enkele ogenblikken later kwam de man in kwestie gezwind aangereden met zijn fiets. Hij sprong er vlot af, opende zijn garagepoort en zette zijn fiets binnen ...
We hebben wijselijk besloten om die man niet mee te nemen naar het ziekenhuis, en op vriendelijke wijze gezegd dat hij zijn huisarts moest bellen.
Den ObusGisteren werd het medisch rampenplan afgekondigd. Tijdens graafwerken naast een instelling voor gehandicapte jongeren had men een "obus" ontdekt. Voor wie niet thuis is in de vaderlandse geschiedenis: "obussen" zijn artilleriegranaten uit de tweede wereldoorlog. Daar zitten serieuze knaapjes tussen die 65 jaar naar productie nog steeds een behoorlijke knal kunnen geven. Veiligheidshalve besloot men dus het gebouw te ontruimen, waardoor prompt het medisch rampenplan afgekondigd werd.
Dat rampenplan houdt concreet in dat een aantal mensen belachelijke fluo-jasjes aantrekken om zenuwachtig met hun zender heen en weer te lopen op de plaats van het gebeuren. Het grappige aan de situatie van gisteren was dat het rampenplan beperkt bleef tot de medische discipline. De medische diensten werden ter plaatse gevraagd uit voorzorg. De brandweer echter niet. Enkel hun commandant was aanwezig. Meer nog: de mannen met de gekke fluo-jasjes vonden het initieel zelfs niet nodig om de graafwerken op de vindplaats van de obus te laten stilleggen. De redenering daarachter was simpel. Indien die obus werkelijk kon ontploffen, dan zou dat al lang gebeurd zijn, dus was die brandweer niet echt nodig.
Er is dus over nagedacht, en dat is wat voor mij het belangrijkste is. Hoe krom sommige redeneringen ook zijn: als men erover nagedacht heeft is het goed voor mij.
Het voorval met de obus deed me denken aan een incident waar ik zelf enkele jaren geleden in betrokken was. We werden opgeroepen voor een verkeersongeval waarbij iemand in de voorgevel van een huis gereden was. Ik herinner me dat ik op de achterbank plaats wou nemen om een halskraag aan te leggen bij één van de slachtoffers. Daarbij werd ik gehinderd door een groot zwaar voorwerp, dat ik prompt een duw gegeven had, zodat het ongekend voorwerp langs de andere kant van de zitbank vloog. Op terugweg van het ziekenhuis passeerden we terug op de plaats van ongeval. Onze verbazing was groot toen we zagen dat ze de ganse buurt afgezet hadden. Toen we vroegen waarom, deelde men ons mee dat er op de achterbank van de wagen een obus gevonden werd ... Deja-vuBij de dienst 100 heb je drie groepen medewerkers: "die van de ziekenwagen", "die van de MUG" en "die van de centrale". Soms gebeurt het wel eens dat de onderlinge communicatie niet zo vlot loopt als we wel zouden willen. Een macaber voorbeeld daarvan deed zich deze week voor in onze stad.
Op een gegeven moment wordt een ziekenwagen en een MUG-team opgeroepen voor een reanimatie. Spijtig genoeg kwam de hulp te laat voor de patiënt die ter plaatse overleden verklaard werd. En toen gebeurde het: "die van de MUG" dachten dat "die van de ziekenwagen" wel het nodige zouden doen om de politie ter plaatse te vragen en dergelijke. "Die van de ziekenwagen" dachten echter dat "die van de centrale" dat wel zouden doen, en keerden net als het MUG-team terug naar hun standplaats. Het lichaam van de overledene bleef dus achter op de plaats van de reanimatie. De enige aanwezige bij het lichaam was de burger die de hulpdiensten verwittigd had.
Dit bleek later een onvergeefbare blunder van formaat te zijn, want die burger moet waarschijnlijk verondersteld hebben dat "die van de hulpdiensten" wel de familie van de overledene zouden inlichten. Zodoende moet hij ook de plaats van de interventie verlaten hebben, waardoor het stoffelijk overschot alleen achter bleef.
Dit kan dus alleen in een grootstad.
Enkele uren later gebeurde het onvermijdelijke: een familielid van de overledene kwam niets vermoedend thuis en trof er het levenloze lichaam aan, waardoor hij onmiddellijk naar het noodnummer 100 belde. Opnieuw werden een ziekenwagen en een MUG-team uitgestuurd. Toevallig was het nog steeds dezelfde dokter die dienst had op de MUG. Bij het binnenrijden van de straat maakte ze zich de bedenking: "tiens, we zijn hier precies nog al eens geweest vandaag ..."
Het was een collega die mij over het incident vertelde. Mijn eerste reactie was er een van ongeloof, maar ... later op de avond moesten we met onze ziekenwagen uitrukken voor een oproep die omschreven werd als "vrouw levensloos aangetroffen in slaapkamer". Ter plaatse aangekomen bleek er al lijkstijfheid te zijn, waardoor we geen reanimatiepogingen startten. Enkele ogenblikken later kwam de MUG ter plaatse. De MUG-arts bevestigde "officieel" het overlijden. Plots stapte ze met een zeer ernstige blijk naar mij toe en sprak mij aan: "meneer, ... wil u zèker contact opnemen met het hulpcentrum 100 om de politie te vragen? We zullen nog even blijven tot ze er zijn ..."
Ik heb dus een vermoeden welke MUG-arts eerder die dag een deja-vu ervaren had.
Man met hoofdpijnEnkele dagen geleden kwam er een oproep binnen voor een man met hoofdpijn. Ter plaatse aangekomen onderwierpen we de patiënt aan een diepgaand medisch interview:
Vraag 1: "Wat is het probleem?"
Antwoord: "Ik heb hoofdpijn".
Vraag 2: "Heeft u reeds een pijnstiller genomen?"
Antwoord: "Neen"
Vraag 3: "Heeft u uw huisarts al geraadpleegd?"
Antwoord: "Neen, want het is al laat op de avond. Ik kan nu toch de dokter niet bellen, hé..."
Dronken patientenDit komt niet van mijzelf !!!
Laat mij hier heel duidelijk over zijn: ik citeer een collega-ambulancier die in London actief is.
Ikzelf zou mij nooit tot dergelijke uitspraken durven verleiden.
Ik citeer: "The only nice thing about calls for drunk people is that you can fart in the back of the ambulance as many times as you want, without anyone knowning it's you.
Vrij vertaald: "Het enige voordeel aan oproepen voor zatlappen is dat je in de ziekenwagen zoveel scheten kan laten als je wil. Niemand weet dat jij het bent."
Extreem bloedverliesHet was 02u00 in de morgen. We hadden net iemand binnen gebracht op de spoedgevallendienst van één van de ziekenhuizen in de stad en we stonden gezellig nog wat te babbelen met de dokter en de verpleegkundigen van de nachtploeg. Plots hoorden we onze roepnaam over de radio: de dispatching van de dienst 100 vroeg ons voor een nieuwe oproep. We werden gevraagd uit te rijden voor een man die een verwonding opgelopen had in de hals. "De precieze omstandigheden zijn echter niet helemaal duidelijk", voegde de dispatcher er aan toe.
Nu zijn er na middernacht twee soorten oproepen waarvoor we altijd op onze hoede zijn: enerzijds heb je de oproepen die van de politie komen en anderzijds de oproepen waarvan de dispatching zegt dat "de precieze omstandigheden niet helemaal duidelijk zijn". Beide oproepen hebben één zaak met elkaar gemeen: altijd miserie ...
Ter plaatse aangekomen stond een jongeman ons op te wachten aan de voordeur van zijn woning. Hij droeg een wit hemd waar enkele bloedvlekken op zaten en hield een bebloedde zakdoek tegen zijn hals. Toen we hem vroegen de plaats van de verwonding te tonen nam hij de zakdoek weg en eigenaardig genoeg zagen we geen enkele wonde. Op de vraag waar hij zich precies verwond had, wees hij opnieuw dezelfde plaats aan en verklaarde nader dat hij een soort korstje open gekrabt had.
- "Een korstje opengekrabt?" vroegen we verbaasd.
- "Ja, en het heeft geweldig hard gebloed", antwoordde de man.
- "Gebruikt u bloedverdunners?"
- "Neen"
- "Maar nu bloedt het toch niet meer"
- "Tja, dat weet ik niet, ik kan het niet zien ..."
- "Vond u dat nu werkelijk nodig om de dienst 100 hiervoor te bellen?
- "Ja, natuurlijk, het heeft enorm veel gebloed !!!"
- "Hebt u gedronken?"
- "Neen, waarom vraagt u dat?"
- "Oh, gewoon, zomaar ..."
Groot alarm in een kleine straatWat doe je als je man plots het bewustzijn verliest tijdens het douchen? Dan bel je toch naar de dienst 100? En wat doe je als hij na 4 minuten nog steeds bewusteloos is, en de ziekenwagen er nog altijd niet is? Dan bel je toch opnieuw naar de dienst 100? En wat doet een dispatcher bij het hulpcentrum 100 als hij een oproep voor een bewusteloze binnen krijgt? Dan stuurt hij toch een ziekenwagen en een MUG?
Het enige wat deze morgen fout liep was dat de beide noodoproepen van de dame in kwestie bij twee verschillende dispatchers terecht gekomen zijn. Meer niet. Voor de rest verliep alles vlot.
Nagenoeg alle buurtbewoners kwamen op straat kijken wat er gaande was. Eerst kwam onze ziekenwagen van Life-Care met loeiende sirenes de straat ingereden. Vervolgens kwam de MUG Jan Palfijn met evenveel decibels opdagen. Enkele minuten later arriveerde de MUG van het UZ, onmiddellijk gevolgd door een ziekenwagen van het UZ. Het smalle straatje in Gent stond plots vol prioritaire voertuigen. Een legertje van 2 ambulanciers, 2 MUG-chauffeurs, drie verpleegkundigen en maar liefst 4 dokters stormde het smalle rijhuisje binnen, gewapend met metalen koffers, zuurstofflessen en monitors.
Aan de overkant van de straat stond een buurtbewoner met zijn handen in zijn zakken en een sigaretje in zijn mond verbaasd toe te kijken en dacht bij zichzelf: "Tedju, tedju, tedju ... 't es et doar verzekers een twa gebeurd" ...
De hartpatiënt in kwestie wist ook niet helemaal wat hem overkwam. Het ene moment val je flauw in je badkamer en het volgende moment ben je het middelpunt van het halve rampenplan.
Uiteindelijk werd het ons duidelijk dat de dispatching van de dienst 100 niet door had dat de beide telefoontjes over dezelfde man gingen. We namen het die jongens in de centrale niet kwalijk, want sinds deze week werken ze met een nieuw software-systeem. De diensten van het UZ begaven zich terug naar hun standplaats, en wij brachten de hartpatiënt onder begeleiding van de MUG Jan Palfijn over naar het UZ.
Het was dus terug rustig in het kleine straatje, maar ... niet voor lang. De artsen in het UZ stelden tijdens hun routine-onderzoek vast dat de pas binnengebrachte hartpatiënt een gevaarlijk hoge hoeveelheid koolmonoxide in zijn bloed had. Na ondervraging van de man bleek dat zijn gezinsleden die morgen last hadden van hoofdpijn en misselijkheid. Voor de artsen van het UZ was het duidelijk: acht mensen verbleven in een woning waar koolmonixide als een stille doder langzaam maar zeker zijn werk deed. Snel handelen was de boodschap. Vanop de spoedopname van het UZ werd het hulpcentrum 100 gealarmeerd, en voor de tweede keer die ochtend repten de hulpdiensten zich massaal naar het smalle straatje in een typisch Gentse volksbuurt. De politie, de brandweer en vier ambulances arriveerden één voor één met loeiende sirenes. Brandweerlui met persluchttoestellen en meetaparatuur bestormden de kleine woning. Politiemannen liepen haastig heen en weer om alle identiteitsgegevens te verzamelen. De huisbewoners werden verdeeld over de ambulances en kregen prompt zuurstof toegediend.
Aan de overkant van de straat stond diezelfde buurtbewoner opnieuw verbaasd toe te kijken met zijn sigaretje in zijn mond: "Tedju, tedju, tedju, ... 't es et doar were een twa gebeurd, zekers?"
Het voorval kwam later die avond op het TV-journaal. Al bij al liep het goed af voor de slachtoffers. Diezelfde dag nog mochten enkele familieleden het ziekenhuis al verlaten. De anderen werden overgebracht naar een ziekenhuis in Aalst dat gespecialiseerd is in hyperbare zuurstoftherapie en zijn ondertussen ook al terug thuis. De hartpatiënt werd nadien verder gevolgd op die dienst cardiologie en is ook aan de beterhand. Een drama was op het nippertje vermeden. |
|
|